Aan mijn dagboek

Lief dagboek,

Nachtrust is toch een groot goed, denk ik, als ik vermoeid mijn bed uit stap om kwart over zeven. Het is weekend, ik hoef nergens te zijn maar dat is geen troost. Als vader van twee kinderen weet ik dat ik het komende etmaal op volle kracht moet draaien tot zeker een uur na hun bedtijd (ze zijn erg bedreven in het zo lang mogelijk rekken van het slaapritueel).

Slapen gaat altijd uitstekend bij mij, een ware zegening als ik weleens verhalen lees of hoor over insomnia. Behalve als ik verkouden aan het worden ben, dan breng ik minimaal één nacht in delirium door: een staat waarin mijn slaap vederlicht blijft, en mijn dromen bizarre vormen aannemen. Afgelopen nacht was er weer zo een. Rond twee uur ‘s nachts, wanneer kennelijk de grootste vermoeidheid er wel af is, word ik wakker. De cijfers van mijn digitale klok geven een genadeloos rode gloed af in mijn donkere kamer. Vanaf dat moment drijf ik voortdurend in en weer uit dromenland: elk heel uur op mijn klok komt wel langs. 2:05, 3: 24, 4:11, 5:16 enzovoorts.

Hoe harder ik mijn best doe om weer in slaap te vallen, hoe langer het duurt om daadwerkelijk weg te drijven. Mijn oogleden trillen, alsof ze zelf ook niet meer weten hoe het moet. Als het krampachtige vormen begint aan te nemen, dwing ik mezelf te ontspannen. Ik mag niet meer denken aan de taken die mij de volgende dag te wachten staan. In plaats daarvan concentreer ik me op mijn ademhaling.

Het helpt. En dan beginnen de bizarre maar levensechte dromen. Ik bevind me in een huiskamersetting, ergens met allemaal mensen. Het voelt vertrouwd en relaxed aan. Dan voel ik opeens twee armen om mijn nek. Iemand staat achter mij. Wat de bedoeling hiervan is weet ik niet, maar ik interpreteer het als vijandig. De greep voelt strak aan. Om de persoon achter mij te dwingen los te laten, begin ik met mijn tanden in zijn (dat weet ik dan weer wel: het moet een man zijn) huid te zagen.

Het duurt even maar dan heb ik eindelijk resultaat. Ik zie heel scherp hoe zijn huid openscheurt en het bloed naar buiten begint te gutsen. Het gevoel van vijandigheid slaat bij het zien van al dat bloed plots om in immense ongerustheid, alsof het mijn zoontje betreft. Mijn adem stokt, misschien niet alleen in mijn dromen maar ook in het echt. Omdat het niet lukt met ademen, ga ik hyperventileren.

In het gezelschap zie ik mijn moeder, ik ren naar haar toe met de gewonde in mijn armen. De enge man is veranderd in een kind. Mijn kind. Ik smeek haar om hem van mij over te nemen en iets aan al dat bloed te doen. Zelf ben ik verlamd.

Dan schrik ik wakker. 6:40. Gelukkig, ik mag nog even een half­uur blijven liggen. Bijkomen. Wat een verstopte neus wel niet met je doet.

Nou, lief dagboek, dat was het. En dan hoop ik dat er later (VOOR BLONDJES: EN NU KLIKKEN –>) een krant (<– HEB JE GEKLIKT?) is die stukjes uit jou publiceert.

Groet,

JanD

Aan Ahmed Aboutaleb

Beste meneer Aboutaleb,

Even over die salafistenschool in Rotterdam.

U heeft met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid overlegd over de komst van dat door Saudi-Arabië gesponsorde instituut. En u heeft gezegd dat voor degenen die de vrijheid van religie of andere vrijheden inzetten om haat te zaaien, integratie te verhinderen of bevolkingsgroepen tegen elkaar op te zetten geen plaats is. En dat de gemeente Rotterdam alles in stelling zal brengen om activiteiten te verhinderen die in strijd zijn met de wet, onrust veroorzaken, de openbare orde bedreigen, haat zaaien en mensen rekruteren voor oorlogshandeling elders in de wereld.

Hoe haalt u het in uw harses?

Salafisten zijn misschien een beetje opdringerig, net als Jehova’s Getuigen, maar verder is er niks mis mee.

Staat in het Algemeen Dagblad.

Dus dan is het waar.

Of u dus even wilt stoppen met haatzaaien.

Groet,

JanD