Aan de klimaatramp-gelovers

Beste klimaatramp-gelovers,

Ik kwam gisteren ergens een boekbespreking tegen, die ik ook jullie niet wil onthouden.

Ga er maar even goed voor zitten.

Komt-ie:

Ik had geen boek moeten schrijven over hoe mijn gezin zich de afgelopen jaren voelde. Maar ik moest wel. Want we voelden ons klote. Ik voelde me klote. Mijn man voelde zich klote. De kinderen voelden zich klote. En daar moesten we over schrijven.”

Nu is er dus dat boek.

Waarin we de ik-figuur leren kennen. De ik-figuur is de moeder. Maar het etiket ‘ik-figuur’ past haar beter. Ze is meer ‘ik-figuur’ dan moeder. 

De ik-figuur was vroeger een verlegen meisje. Ze stotterde zo erg dat ze op de basisschool jarenlang logopedie kreeg. Maar als ik zong werd alles simpel en vanzelfsprekend. Daar was niets wat ze niet kon. 

Later, toen ze studeerde, kreeg ze te horen dat ze de misdaad had begaan ‘er niet bij te horen’. Ze trok zich terug, sloot zich op in haar appartement en daar, vierhoog in een studentenflat, vond ze een heel eigen manier om de onrust en angst te laten verdwijnen. 

Het enige wat ze hoefde te doen was heel veel eten en haar vingers in haar keel steken. Daarna voelde ze zich weer super. Het was gewoon een kwestie van braken, dan verdween die steen in haar maag, en soms bleef hij dagenlang weg. Het probleem was alleen dat ze niet kon zingen als ze overgegeven had. En omdat ze niet kon leven zonder te zingen, was ze ineens gedwongen te kiezen. Ze koos voor zingen. En zingen heeft haar leven gered.

Of we daar blij mee moeten zijn, dat moet je straks zelf maar beoordelen.

De ik-figuur is er dus nog. 

En ze vindt zichzelf vrij hopeloos. Ze is niet goed in praktische dingen. Ze heeft geen rijbewijs. Toen ze twintig was, warmde ze brood op in de oven met het plastic er nog omheen. En het is haar nooit gelukt om in te loggen bij internetbankieren en haar rekeningen te betalen.

Ze ‘heeft’ ook ‘iets’. Ze wil dat de psycholoog vaststelt wat. Na honderden uren lezen weet ze het vrij zeker, maar ze wil het zeker weten. Tijdens het neuropsychologisch onderzoek probeert ze haar gedachten terzijde te schuiven, maar de ruis dringt naar binnen en dringt overal doorheen, voortdurend. Haar gave en haar vloek. Haar superkracht die bijna altijd een hulpbron was, maar waar ze geen controle meer over heeft. 

Er staat een raam op een kier en buiten kwetteren wat vogels op F9, met de terts in de basis en de 9 op het viergestreept octaaf. Het is vals. Het ligt de hele tijd iets te hoog en stoort de ik-figuur zo erg, dat ze niet hoort wat de psycholoog zegt. Het doet pijn. Fysiek pijn. Er rijdt een motorfiets over straat in G, F, D, E en ES en die toon is veel te laag in verhouding tot het F9-akkoord van de vogels. Een piepende deur, een notitieblok en een schrapende stoel vormen een cluster en haar lichaam gilt het uit van de pijn. 

De diagnose komt. Ze heeft ADHD. Ze noemt zichzelf ‘een typisch voorbeeld van de superkracht waar iedereen het over heeft’. Die vaak benadrukt wordt, maar die helaas maar heel weinig mensen bezitten, omdat ze het toeval niet aan hun kant hadden.

Doordat de ik-figuur dus nog leeft en wel íets praktisch kan, al is het maar neuken, is ze moeder geworden. 

Baby

Ze kent niemand met een beter gehoor dan haar tweede kind. Ze heeft nog nooit iemand gehoord of gezien die muziek sneller onder de knie krijgt dan het tweede kind.

Het tweede kind is, zo heeft de ik-figuur vastgesteld, hoogsensitief. En kan in gezelschap van de ouders de controle loslaten en alle frustraties eruit gooien over geluiden, smaken, kleren en alles wat te veel en te lastig is om binnen te laten komen.

Het tweede kind verzint spelletjes die te moeilijk zijn, spelletjes die ontsporen en dwangmatig worden en als het niet gaat zoals het tweede kind wil, wordt het tweede kind razend op de ouders.

Op een dag rijden ze naar de spoedeisende hulp van het kinderziekenhuis met schrammen op hun handen en armen en hun gezicht. Ze hadden geschreeuwd. Ze hadden deuren kapot getrapt. Ze hadden gekrabd. Ze hadden tegen muren geslagen. Ze hadden gevochten. Ze hadden gehuild. Ze hadden gesmeekt om hulp.

Als het tweede kind naar school moet, nemen ze ruim de tijd. Het tweede kind moet namelijk allerlei straatstenen vermijden. Het tweede kind moet altijd het linkerbeen eerst neerzetten en als dat fout gaat, moet het tweede kind opnieuw beginnen. En de ik-figuur moet net zoals het tweede kind lopen, wat lastig is omdat de ik-figuur langere benen heeft. Het is nog geen kilometer lopen, maar het kost bijna een uur.

De muziek dreunt en er zijn acht kinderen aan het streetdancen. Het negende kind, het tweede kind, danst helemaal niet. Het tweede kind staat midden in de zaal met de handen voor de oren te snikken. Het tweede kind trilt over het hele lichaam. Voor de ik-figuur en het tweede kind vertrekken, omhelst de ik-figuur het tweede kind. Het is voor het eerst in heel lange tijd dat de ik-figuur haar lieve kleine tweede kind in haar armen mag houden. Het is voor de ik-figuur als thuiskomen na een leven in ballingschap.

Het tweede kind wil ook niet naar gym. Want bij gym moet je harde ballen tegen elkaar aangooien. En harde ballen doen pijn. Het tweede kind wil niet naar gym, want dan moet je allerlei sporten doen met als doel elkaar te verslaan. Het tweede kind begrijpt niet waarom ze in plaats daarvan niet kunnen dansen.

Het tweede kind wil ook niet naar handenarbeid, want het tweede kind is doodsbang voor alle machines. En het tweede kind wil ook niet kaarten in de pauze, want niemand begrijpt de regels van het tweede kind, waarbij de dame de koning altijd verslaat.

Het tweede kind krijgt uiteindelijk de diagnose ADHD, met trekjes van asperger, OCD en oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Als de alimemazine van het tweede kind een keer niet op voorraad is, kan de ik-figuur dat nauwelijks bevatten. Zonder de medicijnen kunnen ze hun bestaan net zo goed opdoeken, vindt ze. Zonder stort alles in.

Voor het tweede kind werd gemaakt, hadden de ik-figuur en haar man blijkbaar al een keer eerder seks gehad. Er was namelijk al een eerste kind.

Dier

Het eerste kind huilde altijd. Als het moest gaan slapen. Onderweg naar school. Tijdens de lessen. En in de pauzes.

De leraren belden bijna elke dag met de ouders. De vader moest het eerste kind dan meenemen naar huis. Naar Moses, want alleen Moses hielp. Urenlang zat het eerste kind de golden retriever te aaien en over zijn vacht te strelen. De ouders probeerden van alles, maar niets hielp. 

Het eerste kind verdween in een soort duisternis en functioneerde eigenlijk niet meer. Het hield op met pianospelen. Het hield op met lachen. Het hield op met praten. En het hield op met eten.

En het krijgt de eerste angstaanval. Het eerste kind maakt een geluid dat de ouders nog nooit hebben gehoord. Het slaakt een helse kreet die meer dan veertig minuten aanhoudt. Het is de eerste keer dat de ouders het eerste kind horen schreeuwen sinds het een zuigeling was.

Het eerste kind is slim, zegt de ik-figuur. Het heeft een fotografische geheugen en kan bijvoorbeeld alle hoofdsteden ter wereld opdreunen. Ook kent het eerste kind alle hoofdsteden van eilandengroepen. Als de ik-figuur vraagt: ‘Kerguelen?’ antwoordt het eerste kind: ‘Port-aux-Francais’. ‘Sri Lanka?’ ‘Sri Jayewardenapura Kotte’. En zegt de ik-figuur ‘Andersom?’ dan komt het antwoord net zo snel. Maar dan dus andersom. 

Het eerste kind kan het periodieke systeem binnen een minuut opzeggen, maar het irriteert het eerste kind dat het van een aantal elementen niet weet hoe je ze uitspreekt.

Er volgt een neuropsychologisch onderzoek. Het eerste kind heeft asperger, hoogfunctionerend autisme en OCD, de dwangstoornis. De psycholoog zegt dat ze het eerste kind ook de diagnose ‘selectief mutisme’ kunnen geven, maar vaak groeien kinderen daar in de loop der tijd vanzelf overheen.

Bij de schoollunch krijgen ze hamburgers, maar het eerste kind kan niet eten. Het is warm en druk in de kantine. Het geluidsniveau is bijna oorverdovend en plotseling is dat vettige stuk vlees op het bord van het eerste kind geen stukje eten meer. Het is een vermalen spier van een levend wezen met gevoelens, bewustzijn en een ziel. Het eerste kind huilt en wil naar huis, maar je mag niet naar huis want hier in de eetzaal moet je dode dieren eten en over merkkleding, make-up en mobiele telefoons praten.

Het eerste kind sms’t naar de ik-figuur dat het kantinepersoneel op school de rijst heeft weggegooid omdat er geen sticker met datum op zat, wat wel moet, maar door die dwangstoornis kan het eerste kind niet eten als het kranten, papier of stickers ziet en daarom is het lastig om het eten voor op school dat de ouders thuis klaarmaken te merken, en dat hebben ze al zo’n honderd keer uitgelegd en nu moet de ik-figuur naar huis om nieuwe jasmijnrijst te koken.

Tussen 2035 en 2040 moet de CO2-uitstoot van alle luchtvaart, alle zeevaart en alle andere transport naar nul. We moeten tegen die tijd allemaal veganist zijn, zegt de ik-figuur.

‘Als de wetmatigheid dat alles groter, sneller en meer moet, tegenover onze gemeenschappelijke overleving komt te staan, dan staat er een nieuwe wereld voor de deur. Een wereld waarin een klein meisje dat is uitgerust met een Instagram-account en een foto van een ijsbeer net zo’n effectieve verdediger van onze gemeenschappelijke veiligheid kan zijn als alle legers van de wereld bij elkaar’.

Haar eerste kind is dat kleine meisje...”

En jullie lopen allemaal als makke schapen achter dat eerste kind aan.

Gaatje in je hoofd.

Groet,

JanD

Wil je dat het dagelijkse ‘Briefje van Jan’ ook in 2020 blijft verschijnen? Doe dan een vaste maandelijkse donatie via Back me of een incidentele gift via Bunq me.

Kerst