Aan Nasrdin Dchar (slot)

 
Kerst

Beste Nasrdin,

“Bij deze een handreiking, en een uitnodiging om te komen kijken naar ‘JA’. En, om daarna met elkaar in gesprek te gaan”, schreef je op 3 november.

Omdat ik vind dat je geen dialoog uit de weg moet gaan (en omdat ik niet voor klaploper wil doorgaan), kocht ik voor 24 euro een kaartje voor je voorstelling van gisteravond in De Meervaart en reed ik vanuit Friesland naar Amsterdam.

Ik ben namelijk gek op ‘de dialoog’.

Zeker als ik door die dialoog eindelijk eens mijn welgemeende excuses zou moeten aanbieden aan een Marokkaan die ik valselijk van iets beschuldigde, want dat komt een stuk minder vaak voor dan ik zou willen.

Ik bedoel: onze dialoog zou het ideale moment voor jou zijn om aan te tonen dat je geen poseur bent die alle restaurants in IJmuiden valselijk beschuldigt van racisme, maar dat daar daadwerkelijk nog een tent is waar ze de verkoop van tonijnfilet combineren met vreselijk flauwe grappen over Marokkanen en het programma ‘Opsporing Verzocht’.

Om te voorkomen dat je “Had dat dan gezegd, dan had ik het meegenomen!” zou zeggen op mijn vraag naar het bonnetje van de betreffende tent, kondigde ik mijn komst ruim van tevoren aan.

Mijn aanwezigheid was je inderdaad niet ontgaan, want je had het op het podium zelfs over mij en hoe ik keek tijdens je voorstelling.

En dat was niet omdat je me toevallig zag zitten toen het zaallicht minutenlang brandde omdat er technisch wat mis ging, want 95 procent van de bezoekers was net zo kaaskop als ik, dus het was niet zo dat ik als een wit lampje tussen allemaal bruine lampen zat te shinen.

Dus ik had hoge verwachtingen van onze dialoog.

Omdat ik niet wist wie de berg was en wie Mohammed, stapte ik na een paar minuten zelf maar de coulissen in om me netjes voor te stellen.

Ik had een doel, dus ik liet me niet van de wijs brengen door een op Howard Komproe gelijkende Surinamer met een bril met twee 31-inch glazen. Blijkbaar hoorde die bij je verder roomblanke entourage, maar ik vond ‘m vooral onbeleefd. Eerst bemoeide hij zich ongevraagd en zonder zich netjes voor te stellen met onze nog maar net gestarte dialoog door overdreven te gaan lachen toen ik zei dat ik nooit echt boos ben – en die woorden te herhalen tegen de rest van je crew. Daarna doordat hij dacht dat jij niet zelf kunt bepalen hoe lang een dialoog mag duren en ons na ongeveer twee minuten kwam vertellen “Dit gesprek duurt nog één minuut”.

Maar goed, we kunnen niet allemaal zo netjes zijn opgevoed als jij in Steenbergen en ik in Bergambacht, Nasrdin.

Enfin, we keuvelden wat over jouw werk en over mijn werk, je bedankte me dat ik een kaartje had gekocht, we schudden elkaar drie keer de hand.

Het was vooral een ritueel dansje, waarin ik de boom was waar jij een beetje tegenaan mocht pissen.

Want hoe het belangrijkste deel van onze dialoog zou verlopen, wist jij van tevoren en wist ik van tevoren.

Ik kreeg natuurlijk niet waar ik voor kwam.

En daarmee kreeg ik precies waar ik voor kwam.

Groet,

JanD

‘Briefje van Jan’ wordt mogelijk gemaakt door vaste maandelijkse donaties via Back me en incidentele giften via Bunq me.

Aan Arnold Karskens

 
Kerst

Beste Arnold,

Oei!

Daar is iets gruwelijk mis gegaan.

Jullie gaan (ijs, weder en de zegen van iedereen die het nog kan tegenhouden dienende) niet in september 2021, maar pas in september 2022 zendtijd krijgen met Ongehoord Nederland.

Want gisteravond werd jullie duidelijk dat minister Arie Slob de zogenaamde ‘peildatum’, waarop je 50.000 leden nodig hebt, heeft vastgesteld op 31 december 2020, in plaats van 31 december 2019.

Jullie doen er in een verklaring heel verontwaardigd over.

“Tussen neus en lippen vertelde gisteravond Arie Slob, minister voor Basis- en Voorgezet Onderwijs en Media, in de Tweede Kamer (in een volkomen lege Kamerzaal, met maar één aangekondigde  spreker, Martin Bosma, die het debat had aangevraagd), dat de ‘peildatum’ met een jaar verschoven was.

Peildatum? Wat? Zult u misschien zeggen.

Nu, die peildatum is dus heel belangrijk.

De peildatum, dat is namelijk de datum waarop de omroepen, maar ook de aspirant omroepen, zoals ON! hun ledenaantal moeten indienen bij de overheid.

De peildatum stond op 31 december 2019. Hij wordt 31 december 2020.

Dit op het allerlaatste moment verschuiven van de peildatum is een typisch voorbeeld van een onbetrouwbare overheid. Voor de nieuwe toetreders zoals ON! wordt het dus in een keer een stuk moeilijker gemaakt om toe te treden. Wij zijn gedwongen onze strategie te veranderen.

ON! zit midden in een campagne om de 50.000 leden te halen die nodig zijn om een aspirant omroep te worden. (En, zoals u kunt zien aan de teller: Dat gaat heel goed, dank u, we zijn er bijna!)

En nu, ineens, zegt de minister dus achteloos tegen die lege Kamerzaal: ‘O ja, de peildatum verandert.’

Wat je dan dus doet is vlak voor de finishlijn de spelregels veranderen.

Zo ga je toch niet om met de burgers?

Wij van ON! zijn woest!

Maar we geven niet op. Integendeel. We zijn strijdbaarder dan ooit.”

Ik moet je eerlijk zeggen, Arnold, dat dit gelul is.

Ik heb zelf ook zitten snurken.

Dit is namelijk oud nieuws.

Rond 4 juli van dit jaar werd al aangekondigd dat de peildatum naar eind 2020 zou worden geschoven; er moest alleen nog worden besloten of het september 2020 of december 2020 zou worden.

Vooral Dominique Weesie van PowNed toonde zich daar toen verheugd over, omdat zijn omroep dreigde de benodigde leden eind 2019 niet te halen. Weesie stopte toen per direct met de voorbereidingen van een grote ledenwerfcampagne (waarvoor ik ook benaderd was, dus vandaar dat ik nu moet toegeven dat ik de afgelopen weken heb zitten snurken).

Dus jouw nadeel (je kunt pas half 2022 écht beginnen) is zijn voordeel (hij kan een jaar extra zijn zakken vullen met het mislukte experiment).

Het goede nieuws: álle tijd om die 50.000 te halen. Al schat ik in dat iedereen die nu lid werd volgend jaar wéér 5,72 moet betalen om mee te tellen op de peildatum.

Groet,

JanD

PS. Ik heb dit jaar ook nóg beter leren relativeren.

Wil je dat het dagelijkse ‘Briefje van Jan’ ook in 2020 blijft verschijnen? Doe dan een vaste maandelijkse donatie via Back me of een incidentele gift via Bunq me.

Aan de politie

 
Kerst

Beste politie,

Ik las gisteren de oproep van jullie Haarlemse collega’s.

“Dit weekend zijn er in Nederland meerdere agenten geslagen en geschopt tijdens de uitvoering van hun werk. Dit is onacceptabel! Van hulpverleners blijf je af! Steun ons en retweet #stopgeweldtegenhulpverleners #handenafvanhulpverleners #politie #brandweer #ambulance #handhaving

Ik heb daar eerlijk gezegd wat moeite mee.

Ik wil jullie best steunen, maar ik denk niet dat een retweet helpt.

Sterker: ik steun jullie al.

Ik betaal elk jaar geld.

Dat heet: belasting.

En van dat geld worden jullie geacht de veiligheid op straat te bewaken en in te grijpen waar die in het geding is.

Voorstel: ga eens vier weken stoppen met dat gepamper en ga je werk doen.

Ik bedoel: jullie collega’s in Frankrijk slaan tegenwoordig elke zaterdag burgers het ziekenhuis in die níets fout hebben gedaan en jullie laten het echte tuig onder het mom van ‘deëscalatie’ gewoon lopen. Ook omdat de politiek jullie bazen heeft gevraagd te zorgen voor elk jaar fraaiere misdaadstatistieken trouwens.

En dan nog wat: van hulpverleners blijf je inderdaad af. Maar het is vrij bizar dat ‘hulpverleners’ een status aparte hebben. Het leven van een oud vrouwtje of de kop van een puber dient net zo hard beschermd te worden.

Door de organisatie die een monopolie op geweld heeft: de politie.

Verman je, beperk je tot je kerntaak (dan maar een jaartje niet iftarren) én gebruik je bevoegdheden (en dat zwarte metalen ding).

Dan weet ik zeker dat de straat een stuk veiliger wordt.

En anders: stop met zeuren om retweets en meer personeel en erken dat dit land reddeloos verloren is.

Groet,

JanD

Wil je dat het dagelijkse ‘Briefje van Jan’ ook in 2020 blijft verschijnen? Doe dan een vaste maandelijkse donatie via Back me of een incidentele gift via Bunq me.

Kerst

Aan de klimaatramp-gelovers

 

Beste klimaatramp-gelovers,

Ik kwam gisteren ergens een boekbespreking tegen, die ik ook jullie niet wil onthouden.

Ga er maar even goed voor zitten.

Komt-ie:

Ik had geen boek moeten schrijven over hoe mijn gezin zich de afgelopen jaren voelde. Maar ik moest wel. Want we voelden ons klote. Ik voelde me klote. Mijn man voelde zich klote. De kinderen voelden zich klote. En daar moesten we over schrijven.”

Nu is er dus dat boek.

Waarin we de ik-figuur leren kennen. De ik-figuur is de moeder. Maar het etiket ‘ik-figuur’ past haar beter. Ze is meer ‘ik-figuur’ dan moeder. 

De ik-figuur was vroeger een verlegen meisje. Ze stotterde zo erg dat ze op de basisschool jarenlang logopedie kreeg. Maar als ik zong werd alles simpel en vanzelfsprekend. Daar was niets wat ze niet kon. 

Later, toen ze studeerde, kreeg ze te horen dat ze de misdaad had begaan ‘er niet bij te horen’. Ze trok zich terug, sloot zich op in haar appartement en daar, vierhoog in een studentenflat, vond ze een heel eigen manier om de onrust en angst te laten verdwijnen. 

Het enige wat ze hoefde te doen was heel veel eten en haar vingers in haar keel steken. Daarna voelde ze zich weer super. Het was gewoon een kwestie van braken, dan verdween die steen in haar maag, en soms bleef hij dagenlang weg. Het probleem was alleen dat ze niet kon zingen als ze overgegeven had. En omdat ze niet kon leven zonder te zingen, was ze ineens gedwongen te kiezen. Ze koos voor zingen. En zingen heeft haar leven gered.

Of we daar blij mee moeten zijn, dat moet je straks zelf maar beoordelen.

De ik-figuur is er dus nog. 

En ze vindt zichzelf vrij hopeloos. Ze is niet goed in praktische dingen. Ze heeft geen rijbewijs. Toen ze twintig was, warmde ze brood op in de oven met het plastic er nog omheen. En het is haar nooit gelukt om in te loggen bij internetbankieren en haar rekeningen te betalen.

Ze ‘heeft’ ook ‘iets’. Ze wil dat de psycholoog vaststelt wat. Na honderden uren lezen weet ze het vrij zeker, maar ze wil het zeker weten. Tijdens het neuropsychologisch onderzoek probeert ze haar gedachten terzijde te schuiven, maar de ruis dringt naar binnen en dringt overal doorheen, voortdurend. Haar gave en haar vloek. Haar superkracht die bijna altijd een hulpbron was, maar waar ze geen controle meer over heeft. 

Er staat een raam op een kier en buiten kwetteren wat vogels op F9, met de terts in de basis en de 9 op het viergestreept octaaf. Het is vals. Het ligt de hele tijd iets te hoog en stoort de ik-figuur zo erg, dat ze niet hoort wat de psycholoog zegt. Het doet pijn. Fysiek pijn. Er rijdt een motorfiets over straat in G, F, D, E en ES en die toon is veel te laag in verhouding tot het F9-akkoord van de vogels. Een piepende deur, een notitieblok en een schrapende stoel vormen een cluster en haar lichaam gilt het uit van de pijn. 

De diagnose komt. Ze heeft ADHD. Ze noemt zichzelf ‘een typisch voorbeeld van de superkracht waar iedereen het over heeft’. Die vaak benadrukt wordt, maar die helaas maar heel weinig mensen bezitten, omdat ze het toeval niet aan hun kant hadden.

Doordat de ik-figuur dus nog leeft en wel íets praktisch kan, al is het maar neuken, is ze moeder geworden. 

Baby

Ze kent niemand met een beter gehoor dan haar tweede kind. Ze heeft nog nooit iemand gehoord of gezien die muziek sneller onder de knie krijgt dan het tweede kind.

Het tweede kind is, zo heeft de ik-figuur vastgesteld, hoogsensitief. En kan in gezelschap van de ouders de controle loslaten en alle frustraties eruit gooien over geluiden, smaken, kleren en alles wat te veel en te lastig is om binnen te laten komen.

Het tweede kind verzint spelletjes die te moeilijk zijn, spelletjes die ontsporen en dwangmatig worden en als het niet gaat zoals het tweede kind wil, wordt het tweede kind razend op de ouders.

Op een dag rijden ze naar de spoedeisende hulp van het kinderziekenhuis met schrammen op hun handen en armen en hun gezicht. Ze hadden geschreeuwd. Ze hadden deuren kapot getrapt. Ze hadden gekrabd. Ze hadden tegen muren geslagen. Ze hadden gevochten. Ze hadden gehuild. Ze hadden gesmeekt om hulp.

Als het tweede kind naar school moet, nemen ze ruim de tijd. Het tweede kind moet namelijk allerlei straatstenen vermijden. Het tweede kind moet altijd het linkerbeen eerst neerzetten en als dat fout gaat, moet het tweede kind opnieuw beginnen. En de ik-figuur moet net zoals het tweede kind lopen, wat lastig is omdat de ik-figuur langere benen heeft. Het is nog geen kilometer lopen, maar het kost bijna een uur.

De muziek dreunt en er zijn acht kinderen aan het streetdancen. Het negende kind, het tweede kind, danst helemaal niet. Het tweede kind staat midden in de zaal met de handen voor de oren te snikken. Het tweede kind trilt over het hele lichaam. Voor de ik-figuur en het tweede kind vertrekken, omhelst de ik-figuur het tweede kind. Het is voor het eerst in heel lange tijd dat de ik-figuur haar lieve kleine tweede kind in haar armen mag houden. Het is voor de ik-figuur als thuiskomen na een leven in ballingschap.

Het tweede kind wil ook niet naar gym. Want bij gym moet je harde ballen tegen elkaar aangooien. En harde ballen doen pijn. Het tweede kind wil niet naar gym, want dan moet je allerlei sporten doen met als doel elkaar te verslaan. Het tweede kind begrijpt niet waarom ze in plaats daarvan niet kunnen dansen.

Het tweede kind wil ook niet naar handenarbeid, want het tweede kind is doodsbang voor alle machines. En het tweede kind wil ook niet kaarten in de pauze, want niemand begrijpt de regels van het tweede kind, waarbij de dame de koning altijd verslaat.

Het tweede kind krijgt uiteindelijk de diagnose ADHD, met trekjes van asperger, OCD en oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Als de alimemazine van het tweede kind een keer niet op voorraad is, kan de ik-figuur dat nauwelijks bevatten. Zonder de medicijnen kunnen ze hun bestaan net zo goed opdoeken, vindt ze. Zonder stort alles in.

Voor het tweede kind werd gemaakt, hadden de ik-figuur en haar man blijkbaar al een keer eerder seks gehad. Er was namelijk al een eerste kind.

Dier

Het eerste kind huilde altijd. Als het moest gaan slapen. Onderweg naar school. Tijdens de lessen. En in de pauzes.

De leraren belden bijna elke dag met de ouders. De vader moest het eerste kind dan meenemen naar huis. Naar Moses, want alleen Moses hielp. Urenlang zat het eerste kind de golden retriever te aaien en over zijn vacht te strelen. De ouders probeerden van alles, maar niets hielp. 

Het eerste kind verdween in een soort duisternis en functioneerde eigenlijk niet meer. Het hield op met pianospelen. Het hield op met lachen. Het hield op met praten. En het hield op met eten.

En het krijgt de eerste angstaanval. Het eerste kind maakt een geluid dat de ouders nog nooit hebben gehoord. Het slaakt een helse kreet die meer dan veertig minuten aanhoudt. Het is de eerste keer dat de ouders het eerste kind horen schreeuwen sinds het een zuigeling was.

Het eerste kind is slim, zegt de ik-figuur. Het heeft een fotografische geheugen en kan bijvoorbeeld alle hoofdsteden ter wereld opdreunen. Ook kent het eerste kind alle hoofdsteden van eilandengroepen. Als de ik-figuur vraagt: ‘Kerguelen?’ antwoordt het eerste kind: ‘Port-aux-Francais’. ‘Sri Lanka?’ ‘Sri Jayewardenapura Kotte’. En zegt de ik-figuur ‘Andersom?’ dan komt het antwoord net zo snel. Maar dan dus andersom. 

Het eerste kind kan het periodieke systeem binnen een minuut opzeggen, maar het irriteert het eerste kind dat het van een aantal elementen niet weet hoe je ze uitspreekt.

Er volgt een neuropsychologisch onderzoek. Het eerste kind heeft asperger, hoogfunctionerend autisme en OCD, de dwangstoornis. De psycholoog zegt dat ze het eerste kind ook de diagnose ‘selectief mutisme’ kunnen geven, maar vaak groeien kinderen daar in de loop der tijd vanzelf overheen.

Bij de schoollunch krijgen ze hamburgers, maar het eerste kind kan niet eten. Het is warm en druk in de kantine. Het geluidsniveau is bijna oorverdovend en plotseling is dat vettige stuk vlees op het bord van het eerste kind geen stukje eten meer. Het is een vermalen spier van een levend wezen met gevoelens, bewustzijn en een ziel. Het eerste kind huilt en wil naar huis, maar je mag niet naar huis want hier in de eetzaal moet je dode dieren eten en over merkkleding, make-up en mobiele telefoons praten.

Het eerste kind sms’t naar de ik-figuur dat het kantinepersoneel op school de rijst heeft weggegooid omdat er geen sticker met datum op zat, wat wel moet, maar door die dwangstoornis kan het eerste kind niet eten als het kranten, papier of stickers ziet en daarom is het lastig om het eten voor op school dat de ouders thuis klaarmaken te merken, en dat hebben ze al zo’n honderd keer uitgelegd en nu moet de ik-figuur naar huis om nieuwe jasmijnrijst te koken.

Tussen 2035 en 2040 moet de CO2-uitstoot van alle luchtvaart, alle zeevaart en alle andere transport naar nul. We moeten tegen die tijd allemaal veganist zijn, zegt de ik-figuur.

‘Als de wetmatigheid dat alles groter, sneller en meer moet, tegenover onze gemeenschappelijke overleving komt te staan, dan staat er een nieuwe wereld voor de deur. Een wereld waarin een klein meisje dat is uitgerust met een Instagram-account en een foto van een ijsbeer net zo’n effectieve verdediger van onze gemeenschappelijke veiligheid kan zijn als alle legers van de wereld bij elkaar’.

Haar eerste kind is dat kleine meisje...”

En jullie lopen allemaal als makke schapen achter dat eerste kind aan.

Gaatje in je hoofd.

Groet,

JanD

Wil je dat het dagelijkse ‘Briefje van Jan’ ook in 2020 blijft verschijnen? Doe dan een vaste maandelijkse donatie via Back me of een incidentele gift via Bunq me.

Kerst

Aan Eva Vlaardingerbroek

 
Kerst

Beste Eva,

Zo, dat gaat rap!

Je bent, neem ik aan, bekend met het (ten onrechte) aan Mahatma Gandhi toegeschreven citaat ‘First they ignore you, then they laugh at you, then they fight you, then you win’.

Eerst negeren ze je, dan lachen ze je uit, dan bevechten ze je en tenslotte win je.

Jij hebt stadium 1 en 2 nagenoeg overgeslagen en kwam eind oktober in één klap binnen in stadium 3.

Dat was toen een stel ranzige blanke mannen van middelbare leeftijd onder aanvoering van een webredacteur van het Algemeen Dagblad als wilde hyena’s op je dook op social media. Want jij, kersvers meester in de rechten, had de gore lef gehad de fopstraf die een verkrachter kreeg te bekritiseren.

Die aanval op jou gebeurde met zoveel intimiderend verbaal geweld, dat negen van de tien slachtoffers in jouw geval hun Twitter-account zouden hebben afgesloten en hun mening voortaan wel voor zich zouden houden.

Jij ging gewoon door.

Aanval 1 uit fase 3 afgeslagen.

De club wist dus dat ze met zwaarder geschut moest komen.

Na het ordinaire straattuig rond die webredacteur van het AD moesten ze nu met iets van wat meer statuur op de proppen komen: een zogenaamd kwaliteitsmedium.

Toen je als spreker optrad bij het congres van Forum voor Democratie besloot de redactie van de Volkskrant de taak van beul op zich te nemen.

Dat leidde gisteren tot een groot artikel waar geen gek citaat van jou instond, maar dat tóch bij de lezer die nog nooit van jou gehoord had (ik gok: 90 procent, minimaal) de geur achterliet dat ze kennismaakten met de reïncarnatie van Eva Braun.

Ik ga de bagger niet herhalen. Wie wil weten hoe framing en karaktermoord werkt, moet het stuk vooral zelf maar lekker lezen.

Jij werd natuurlijk pislink.

En dat vind ik jammer, Eva.

Want wat je door je woede vergat, is dat je met zevenmijlslaarzen ‘Ghandi’s’ stadium 4 aan het naderen bent.

Als zelfs zelfbenoemde kwaliteitsmedia als de Volkskrant zich moet bedienen van seksisme, van het uit zijn verband rukken van citaten en van het inschakelen van Amerikaanse wetenschappers die nog nooit van Nederland hebben gehoord voor ‘tekstanalyses’, dan weet je wel hoe laat het is. Dan hebben ze geen argumenten, dan hebben ze alleen nog smerige trucs.

Nu volgen alleen nog de columnisten.

Dezelfde oude viespeuken die vorige week Arnold Karskens’ ‘Ongehoord Nederland’ in de fascistische hoek wilden plaatsen en waar de volgende dag de kat op poept en piest.

En Asha natuurlijk, over een week of twee.

En dan heb je gewonnen.

En ligt er een mooie toekomst voor je.

Als ik je als oude man nog één raad mag geven: laat je niet misbruiken. Niet door je ‘vrienden’, niet door je vijandjes.

Blijf gewoon Eva Vlaardingerbroek, een keurige, intelligente, tegendraadse vrouw.

Maar professionaliseer wél, nu je je in de jungle van de publieke aandacht begeven hebt. Leer (beter) ‘nee’ zeggen als er mensen bellen (of mailen) die je voor hun karretje willen spannen of willen naaien. En ken je waarde.

Eén Anne Fleur Dekker is wel genoeg, dunkt mij.

Anders blijkt het toch te kloppen, wat ze zeggen over domme blondjes..

Groet,

JanD

PS. Muziek!

Wil je dat het dagelijkse ‘Briefje van Jan’ ook in 2020 blijft verschijnen? Doe dan een vaste maandelijkse donatie via Back me of een incidentele gift via Bunq me.